Vogels van de polder

De Alblasserwaard lijkt op het eerste gezicht misschien vooral een open polderlandschap, met uitgestrekte weilanden, sloten en karakteristieke knotwilgen. Toch vormt dit waterrijke veenweidegebied een bijzonder leefgebied voor een grote verscheidenheid aan vogels. Tussen het grasland, langs de oevers en in de rietkragen vinden vogels alles wat ze nodig hebben: voedsel, beschutting en geschikte plekken om te broeden. Juist de afwisseling van open weilanden, watergangen, moerasvegetatie en erfbeplanting maakt de Alblasserwaard zo rijk aan vogels.

De vogels in dit gebied zijn nauw verbonden met het landschap waarin ze leven. In de weilanden zoeken grutto’s, kieviten en tureluurs naar voedsel en brengen ze hun jongen groot. Boven de sloten jagen boerenzwaluwen op insecten, terwijl rietgorzen en kleine karekieten zich verschuilen tussen het riet. Langs de oevers en in de natte graslanden zijn regelmatig blauwe reigers en purperreigers te zien, op zoek naar vis en andere kleine waterdieren. Ook de karakteristieke knotwilgen en houtwallen bieden plaats aan zangvogels, die er nestelen, voedsel zoeken of vanaf een tak hun zang laten horen.

Het leefgebied van deze soorten verschilt sterk. De ene vogel is afhankelijk van vochtige, kruidenrijke graslanden, terwijl de andere juist de voorkeur geeft aan sloten, rietkragen of bomenrijen. Vooral voor weidevogels is de openheid van het landschap van groot belang. Een hoge waterstand, voldoende insecten en een gevarieerde graslandvegetatie bieden goede omstandigheden om te broeden en jongen groot te brengen. Tegelijkertijd zijn de rietlanden en slootkanten onmisbaar voor soorten die afhankelijk zijn van beschutte oevers en waterrijke begroeiing.

De grutto is vooral te vinden in vochtige, kruidenrijke graslanden met een hoge waterstand en een rijke bodemfauna. In de Alblasserwaard is deze karakteristieke weidevogel verbonden met de open veenweidepolders, waar sloten en natte graslanden geschikte broed- en foerageergebieden vormen. Vanaf februari keert de grutto terug uit zijn overwinteringsgebieden en in het voorjaar laat het mannetje spectaculaire baltsvluchten zien. Het nest ligt goed verborgen in het gras. De soort voedt zich voornamelijk met regenwormen en emelten, terwijl de jongen vooral insecten eten.

De kievit is een typische bewoner van open graslanden en akkers, waar hij voldoende ruimte heeft om voedsel te zoeken en zijn nest te verdedigen. In de Alblasserwaard is deze opvallende weidevogel een vertrouwde verschijning boven de uitgestrekte polderweilanden. Vanaf februari en maart zijn de eerste vogels bezig met hun baltsvluchten, waarbij ze met opvallende wendingen en buitelingen door de lucht vliegen. Het nest bestaat uit een ondiep kuiltje in de grond, meestal op een open plek in het gras. De kievit eet vooral regenwormen, insecten en hun larven. 

De tureluur heeft een voorkeur voor vochtige, kruidenrijke graslanden met greppels, slootkanten en ondiepe plassen. In de Alblasserwaard is de soort vooral te verwachten in natte delen van het veenweidelandschap, waar hij voedsel zoekt langs de oevers en in de graslanden. Vanaf maart wordt de tureluur actief in zijn broedgebied en laat hij zijn kenmerkende, luidruchtige roep horen. Het nest wordt goed verborgen in een graspol, vaak dicht bij een sloot of greppel. De soort eet wormen, insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden.

De meerkoet leeft op allerlei soorten water, van brede sloten en vaarten tot plassen en vijvers met voldoende begroeiing langs de oevers. In de Alblasserwaard is de soort algemeen te verwachten op het uitgebreide netwerk van watergangen tussen de weilanden en bij dorpen en boerderijen. De meerkoet bouwt zijn nest meestal tussen waterplanten of aan de rand van de oevervegetatie. Beide ouders verzorgen de jongen, die na het uitkomen zelf voedsel kunnen zoeken. De soort eet waterplanten, algen en andere plantaardige materialen, maar ook insecten, slakken en kleine waterdieren.

De fuut is vooral te vinden op grotere sloten, vaarten, plassen en meren waar voldoende open water aanwezig is en vissen kunnen worden gevangen. In de Alblasserwaard biedt het waterrijke polderlandschap met zijn brede watergangen en plassen geschikte plekken om te foerageren en te broeden. In het voorjaar voert het mannetje een opvallende balts uit, waarbij beide vogels met opgerichte hals tegenover elkaar bewegen. Het nest wordt gemaakt van waterplanten en ligt meestal tussen de oeverbegroeiing. De fuut voedt zich voornamelijk met vis, aangevuld met kleine waterdieren.

De purperreiger is vooral gebonden aan uitgestrekte rietmoerassen, natte laagveengebieden en waterrijke landschappen met voldoende beschutting. De Alblasserwaard en de aangrenzende veenweidegebieden behoren tot het landschapstype waarin deze schuwe reigersoort voedsel kan zoeken en geschikte broedgebieden kan vinden. De soort arriveert doorgaans in het voorjaar uit Afrika en broedt in kolonies, meestal in uitgestrekte rietvelden. Tijdens het foerageren beweegt de purperreiger zich behoedzaam door ondiep water en langs begroeide oevers. Hij eet vooral vis, amfibieën, kleine zoogdieren en andere kleine gewervelden. In het najaar vertrekken de meeste vogels weer naar hun overwinteringsgebieden in Afrika.

De bruine kiekendief leeft vooral in waterrijke gebieden met rietvelden, moerassen en brede sloten met dichte oeverbegroeiing. In en rond de Alblasserwaard kan deze roofvogel boven rietkragen en open polderland worden waargenomen, waar hij laag boven de vegetatie vliegt op zoek naar prooi. Het nest wordt meestal in het riet gebouwd, soms ook in andere hoge vegetatie. In het voorjaar voeren de vogels opvallende baltsvluchten uit en brengt het mannetje regelmatig voedsel naar het vrouwtje. De bruine kiekendief eet kleine zoogdieren, vogels, amfibieën en andere dieren die hij tijdens zijn lage jachtvluchten weet te bemachtigen.

De zwarte stern is een karakteristieke vogel van laagveenmoerassen en waterrijke gebieden met voldoende voedsel en geschikte nestplaatsen. In de Alblasserwaard en de omliggende veenweiden is de soort vooral verbonden met gebieden waar ondiep water, waterplanten en rustige broedlocaties aanwezig zijn. De zwarte stern keert in het voorjaar terug uit Afrika en broedt bij voorkeur op drijvende waterplanten, zoals krabbenscheer, of op speciaal aangelegde nestvlotjes. Tijdens het broedseizoen is de vogel vaak boven sloten en plassen te zien, waar hij behendig insecten van het wateroppervlak pikt. Ook kleine visjes en andere waterdieren staan op het menu.

De visdief leeft langs kustgebieden, meren, rivieren en andere wateren waar voldoende vis beschikbaar is en rustige nestplaatsen te vinden zijn. In de Alblasserwaard kan de soort boven brede sloten, vaarten en plassen worden gezien, vooral wanneer er kleine vissen dicht bij het wateroppervlak zwemmen. De visdief arriveert in het voorjaar en broedt doorgaans op kale of schaars begroeide plekken, bijvoorbeeld op eilandjes of andere veilige terreinen nabij water. Tijdens de jacht hangt hij soms even boven het water voordat hij met een snelle duik een vis vangt. Kleine vis vormt het belangrijkste voedsel, aangevuld met insecten en andere kleine waterdieren.

De huiszwaluw broedt vooral in dorpen en op het platteland, waar gebouwen met geschikte dakranden aanwezig zijn en voldoende insecten in de lucht vliegen. In de Alblasserwaard is de soort vooral te verwachten bij boerderijen, woningen en andere gebouwen in de dorpen en lintbebouwing langs de polderwegen. Vanaf april keren de vogels terug uit Afrika en bouwen ze hun nesten van modder onder dakoverstekken en dakranden, vaak in kleine kolonies. Tijdens het broedseizoen vliegen huiszwaluwen voortdurend rond gebouwen en boven weilanden en sloten op zoek naar voedsel. Ze eten vrijwel uitsluitend vliegende insecten.

De boerenzwaluw is nauw verbonden met het agrarische landschap en voelt zich vooral thuis op boerenerven met schuren, stallen en open graslanden. In de Alblasserwaard is deze sierlijke vlieger een bekende verschijning boven weilanden, langs sloten en rond boerderijen waar geschikte nestplaatsen aanwezig zijn. Vanaf maart en april keren de vogels terug uit Afrika en bouwen ze hun komvormige nesten van modder en plantenmateriaal, meestal binnen in gebouwen. Tijdens het broedseizoen vangen ze grote aantallen insecten in de lucht en scheren ze regelmatig laag over het water om te drinken. Vooral boven vochtige weilanden en slootkanten is vaak veel voedsel te vinden.

De huismus leeft vooral in de nabijheid van mensen en is te vinden in dorpen, steden en agrarische gebieden met gebouwen, tuinen en voldoende groen. In de Alblasserwaard komt de soort vooral voor rond boerderijen, woonhuizen, erven en dorpskernen, waar nestplaatsen onder dakpannen en in andere holtes beschikbaar kunnen zijn. De huismus is een standvogel die het hele jaar in Nederland verblijft en vaak in groepjes leeft. Het nest wordt gebouwd in een beschutte holte van een gebouw, maar soms ook in dichte begroeiing. Volwassen vogels eten vooral zaden en ander plantaardig voedsel, terwijl de jongen voornamelijk insecten krijgen. Hagen, struiken en groene erven bieden belangrijke schuilplaatsen en voedselmogelijkheden.

De Roek komt vooral voor in agrarische gebieden met open graslanden, akkers en groepen hoge bomen waarin kolonies kunnen worden gevormd. In de Alblasserwaard kan de soort worden waargenomen op weilanden en akkers, waar groepen vogels gezamenlijk naar voedsel zoeken, en in bomenrijen of bosjes waar ze nestelen. Roeken bouwen hun nesten hoog in bomen, vaak dicht bij elkaar in kolonies. In het voorjaar zijn de vogels druk met het herstellen van nesten en het grootbrengen van hun jongen. Ze eten onder meer insectenlarven, regenwormen, zaden en ander plantaardig materiaal dat ze op de grond vinden.

De witte kwikstaart komt voor in open gebieden met korte vegetatie, vochtige bodems en voldoende plekken om insecten te vinden. In de Alblasserwaard is de soort onder meer te verwachten op boerenerven, langs sloten, op graslanden en bij gebouwen. Het is een beweeglijke vogel die voortdurend met zijn lange staart op en neer wipt en vaak over de grond loopt op zoek naar voedsel. Het nest wordt gebouwd in een beschutte holte, bijvoorbeeld in een gebouw, onder dakpannen of tussen stenen. De witte kwikstaart eet voornamelijk insecten en andere kleine ongewervelden.

De veldleeuwerik leeft in open landschappen met graslanden, akkers en andere lage vegetaties. In de Alblasserwaard kan de soort worden aangetroffen in geschikte, open agrarische gebieden, waar weinig hoge begroeiing aanwezig is. Vooral in het voorjaar valt het mannetje op door zijn lange zangvlucht, waarbij hij hoog boven het veld blijft zingen voordat hij weer naar beneden daalt. Het nest wordt op de grond gebouwd en ligt goed verscholen tussen het gras. De veldleeuwerik eet insecten en andere kleine ongewervelden, aangevuld met zaden.

De blauwborst heeft een voorkeur voor moerassen, rietvelden en natte gebieden met een afwisseling van riet, struiken en open plekken. In de Alblasserwaard is de soort vooral te verwachten in geschikte rietrijke gebieden en langs ruige waterkanten waar voldoende dekking aanwezig is. Vanaf maart en april keren de vogels terug uit hun overwinteringsgebieden en laat het mannetje zijn opvallende zang horen, vaak vanaf een rietstengel of struik. Het nest ligt meestal goed verborgen laag bij de grond, tussen dichte vegetatie. De blauwborst eet insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden, die hij vooral op de bodem en tussen de planten zoekt.

De rietzanger leeft in rietmoerassen, vochtige ruigtes en andere waterrijke gebieden waar overjarig riet en kruidenrijke vegetatie elkaar afwisselen. In de Alblasserwaard is de soort te verwachten langs brede rietkragen, in moerassige percelen en bij sloten met een natuurlijke oeverbegroeiing. De rietzanger keert in het voorjaar terug uit Afrika en laat zich tijdens het broedseizoen vaak horen vanuit het riet, soms afgewisseld met korte zangvluchten. Het nest wordt laag boven de grond gebouwd tussen de vegetatie. De soort voedt zich voornamelijk met insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden.

De kleine karekiet is sterk gebonden aan rietvegetaties langs sloten, vaarten, plassen en moerassen. In de Alblasserwaard is deze zangvogel vooral te vinden in rietkragen langs de vele watergangen en in grotere rietvelden. Vanaf half april en vooral in mei keren de vogels terug uit hun overwinteringsgebieden. Het mannetje zingt vaak langdurig vanuit het riet zijn herkenbare, ritmische zang. Het nest wordt zorgvuldig tussen meerdere rietstengels geweven, meestal boven ondiep water. De kleine karekiet eet vooral insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden die hij tussen de rietstengels en bladeren verzamelt.

De snor leeft voornamelijk in uitgestrekte, natte rietmoerassen met overjarig riet en een vochtige bodem. In de Alblasserwaard is deze soort vooral te verwachten op rustige plekken waar brede rietvelden aanwezig zijn en voldoende dekking en voedsel beschikbaar zijn. In het voorjaar keert de snor terug uit zijn overwinteringsgebieden en laat het mannetje vanuit het riet zijn kenmerkende, langdurige snorrende zang horen. Het nest wordt laag tussen de vegetatie gebouwd, vaak op een vochtige plek. De soort eet insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden die tussen de stengels en op de bodem leven.

De rietgors komt voor in rietvelden, moerassen en vochtige graslanden met ruige vegetatie en verspreide struiken. In de Alblasserwaard kan deze soort worden waargenomen langs rietrijke sloten, op natte perceelsranden en in moerassige delen van het polderlandschap. In het voorjaar zingt het mannetje vaak vanaf een rietstengel of struik, terwijl het vrouwtje het nest laag tussen de vegetatie bouwt. Tijdens het broedseizoen eet de rietgors vooral insecten en andere kleine ongewervelden; buiten die periode bestaat een groter deel van het voedsel uit zaden.

De vink leeft in uiteenlopende groene landschappen, zoals bosranden, houtwallen, parken, tuinen en erven met bomen en struiken. In de Alblasserwaard is de soort vooral te vinden rond boerderijen, dorpen, erfbeplanting en de karakteristieke knotwilgen langs sloten en wegen. Het mannetje laat in het voorjaar zijn herkenbare zang horen vanaf een tak, terwijl het vrouwtje het nest zorgvuldig bouwt in een boom of struik. De vink eet vooral zaden en ander plantaardig voedsel, maar voert zijn jongen voornamelijk insecten en andere kleine ongewervelden. In het najaar en de winter worden regelmatig groepjes vinken gezien op akkers en graslanden, waar ze naar zaden zoeken.

De spotvogel heeft een voorkeur voor kleinschalige landschappen met dichte struiken, hoge kruiden, hagen en jonge bomen. In de Alblasserwaard is de soort vooral te verwachten op groene boerenerven, langs houtwallen en op plekken waar struikgewas en ruige vegetatie elkaar afwisselen. De spotvogel keert doorgaans in mei terug uit Afrika en valt op door zijn gevarieerde zang, waarin hij regelmatig geluiden van andere vogelsoorten nabootst. Het nest wordt zorgvuldig verborgen in een dichte struik of lage boom. De soort voedt zich voornamelijk met insecten, rupsen en andere kleine ongewervelden, die hij tussen bladeren en takken verzamelt.