Winterse kustvogels

Wanneer het najaar zijn intrede doet, verandert ook het vogelbeeld langs de Nederlandse kust. Vanuit het hoge noorden arriveren duizenden vogels die hier de winter doorbrengen. Andere soorten gebruiken de Nederlandse kust als tussenstop tijdens hun lange trektocht. Stranden, slikken, zandplaten, pieren en stenige dijken vormen dan een belangrijk toevluchtsoord.

De Zeeuwse Delta is daarbij een van de belangrijkste kustgebieden van Nederland. De Westerschelde, Oosterschelde, Grevelingen en Voordelta bieden een grote variatie aan voedselrijke plekken. Maar ook langs de Hollandse kust zijn bijzondere wintergasten te vinden. Pieren en strekdammen bij bijvoorbeeld IJmuiden en Scheveningen zijn vooral interessant voor soorten die graag op steenachtige oevers foerageren.

Veel van de vogels op deze pagina hebben een sterke relatie met het getij. Wanneer het water zich terugtrekt, komen slikken en zandige oevers vrij en gaan steltlopers op zoek naar wormen, schelpdieren en kleine kreeftachtigen. Bij hoogwater verzamelen ze zich vaak op rustige plaatsen om te rusten. Op stenige kustwerken zoeken soorten als Paarse Strandloper en Steenloper juist tussen basaltblokken naar voedsel.

Op zee speelt zich een ander wintertafereel af. Duikers, futen en zee-eenden brengen een groot deel van hun tijd op het water door. Ze duiken naar vis, kreeftachtigen en schelpdieren en kunnen soms langdurig op dezelfde beschutte plek blijven.

Wie in de winter langs de kust loopt, kijkt daardoor niet alleen naar de horizon. Juist langs de waterlijn, tussen de basaltblokken en op het water zijn bijzondere wintergasten te vinden. Sommige zijn algemeen en in flinke groepen aanwezig, terwijl andere slechts met enkele exemplaren in Nederland overwinteren.

De Drieteenstrandloper is misschien wel een van de meest karakteristieke vogels van het Nederlandse Noordzeestrand. In de winter is hij overwegend lichtgrijs en wit en rent hij vaak in kleine groepjes vlak voor de golven uit. Daarbij beweegt de groep voortdurend mee met het terugtrekkende en opkomende water.

De soort broedt in het hoge noorden, onder andere op Spitsbergen, Groenland en in het Arctische gebied van Canada en Siberië. Buiten het broedseizoen trekt hij naar gematigde en tropische kusten. Nederland is daarbij een belangrijk overwinterings- en doortrekgebied. De hoogste aantallen worden gevonden tussen augustus en mei.

Opvallend is dat de Drieteenstrandloper vrijwel geen achterteen heeft. Daarmee is hij aangepast aan zijn manier van leven op zandige stranden. Hij zoekt kleine ongewervelden in de vloedlijn en loopt razendsnel achter de terugtrekkende golven aan om voedsel te bemachtigen. Op het strand wordt hij regelmatig samen gezien met andere steltlopers.

De Kanoet is de grootste van de strandlopers die regelmatig in Nederland worden gezien. Het is een echte langeafstandstrekker die vanuit de hoogarctische broedgebieden naar zuidelijker gelegen overwinteringsgebieden trekt. De Waddenzee is daarbij van wereldwijde betekenis, maar ook in de Zeeuwse Delta kunnen Kanoeten worden aangetroffen.

Kanoeten zijn sterk afhankelijk van voedselrijke getijdengebieden. Ze zoeken vooral op zandige slikken naar kleine schelpdieren, waaronder nonnetjes en jonge kokkels. Ze kunnen daarbij zowel met hun ogen als met hun snavel zoeken en foerageren afhankelijk van het getij.

In de winter is de Kanoet grotendeels grijs en wit. In het voorjaar verandert hij in een veel opvallender roodbruin zomerkleed. Tijdens de trek kunnen grote groepen ontstaan die als compacte wolken boven het water bewegen.

De Oeverpieper is een echte kustbewoner. In Nederland is hij vooral in de winter te vinden langs zoute wateren, op kwelders, dijken, pieren, strekdammen en tussen basaltblokken. Vooral de Zeeuwse Delta en de Waddenzee zijn belangrijk voor overwinterende Oeverpiepers. De soort broedt voornamelijk langs rotsachtige kusten in het noorden van Europa. De vogels die in Nederland overwinteren zijn voor een belangrijk deel afkomstig uit Scandinavië. Vanaf het najaar arriveren ze langs onze kust en vanaf het vroege voorjaar trekken ze weer noordwaarts.

Een Oeverpieper valt op door zijn vrij donkere, weinig contrastrijke verenkleed. Hij beweegt zich vaak laag boven de stenen of langs de waterlijn en zoekt daar naar kleine ongewervelden. Tussen basaltblokken pikt hij insecten en andere kleine dieren uit spleten en van de stenen.

Voor vogelaars zijn pieren en strekdammen daarom uitstekende plaatsen om deze soort te zoeken. Ook de Zuidpier van IJmuiden is een bekende plek om Oeverpiepers waar te nemen.

De Paarse Strandloper is een typische vogel van de stenige kust. Terwijl veel andere steltlopers vooral op zand en slik worden gezocht, heeft deze soort in de winter juist een voorkeur voor basalt, beton, pieren en strekdammen. Dat maakt hem een karakteristieke wintergast op plaatsen zoals de Zuidpier van IJmuiden, Scheveningen en de Brouwersdam.

De soort broedt ver in het noorden, onder andere op IJsland, Spitsbergen en in Scandinavië. In Nederland verschijnt hij voornamelijk vanaf het najaar en blijft hij doorgaans tot het voorjaar. Slechts enkele honderden vogels overwinteren hier. Tussen de stenen zoekt de Paarse Strandloper naar kleine schelpdieren, vlokreeftjes, wormen en insecten. Hij loopt vaak vlak boven de waterlijn en maakt daarbij gebruik van de voedselrijke zone die door de golven wordt overspoeld.

Ondanks zijn naam is de Paarse Strandloper in winterkleed nauwelijks paars te noemen. Het donkere grijsbruine verenkleed vormt juist een goede camouflage tussen natte basaltblokken. Vaak bevindt hij zich samen met Steenlopers, waardoor beide soorten mooi met elkaar te vergelijken zijn.

De Steenloper is een van de meest kenmerkende vogels van de stenige Nederlandse kust. Op pieren, strekdammen en dijken kan hij het hele jaar worden gezien, maar in het najaar en de winter neemt het aantal vogels toe door de komst van noordelijke trekvogels.

Zijn naam verwijst naar zijn bijzondere manier van voedsel zoeken. Met zijn korte, krachtige snavel draait hij kleine stenen, schelpen en stukken zeewier om om te kijken of daar voedsel onder zit. Op die manier vindt hij onder andere kleine kreeftachtigen, wormen, schelpdieren en insecten. Steenlopers zijn opvallend actief. Ze rennen tussen de stenen door en bewegen zich behendig over oneffen oppervlakken. Bij hoogwater zoeken ze vaak een rustplaats op en kunnen ze dicht opeen op een strekdam of dijk zitten.

De Bontbekplevier is vooral bekend als broedvogel van open zandige en schelpenrijke kustgebieden, maar buiten het broedseizoen kunnen ook trekkende en overwinterende vogels langs de Zeeuwse kust worden gezien.

Het is een echte pionier. Hij heeft open terreinen nodig met weinig begroeiing, zoals stranden, zandplaten, schelpenbanken en kale stukken grond. Zijn nest bestaat uit weinig meer dan een ondiep kuiltje in de bodem. Dankzij zijn camouflage kan een broedende vogel vrijwel verdwijnen tussen zand en schelpen. Bontbekplevieren zoeken lopend naar kleine ongewervelden. Ze rennen een stukje, staan plotseling stil en pikken vervolgens een prooi van de bodem. Dit typische gedrag maakt de soort goed herkenbaar wanneer hij op korte afstand langs de waterlijn foerageert.

De Kuifduiker is een schaarse wintergast en daarmee een van de bijzondere soorten die je tijdens een winterse tocht door de Delta kunt tegenkomen. In Nederland is hij vooral van oktober tot april aanwezig. De Zeeuwse Delta is daarbij een van de belangrijkste gebieden. In de winter houdt de Kuifduiker zich voornamelijk op zee, in beschutte baaien en in brak water op. In Zeeland kunnen vooral de Oosterschelde, het Volkerakmeer en de Voordelta goede gebieden zijn. Soms worden tientallen exemplaren in één gebied aangetroffen.

De Kuifduiker is een uitstekende duiker. Hij vangt vooral kleine vissen, insecten en andere ongewervelden. Buiten het broedseizoen is hij meestal zwijgzaam en wordt hij vaak alleen of in kleine groepjes gezien.

De Brilduiker is een wintergast die zowel op zoet als zout water kan worden gevonden. Langs de kust, in riviermondingen en in de Zeeuwse Delta zijn de vogels regelmatig te zien. De mannetjes vallen op door hun donkergroene kop, gele oog en de opvallende witte vlek tussen oog en snavel.

Brilduikers zoeken hun voedsel voornamelijk duikend onder water. Ze eten onder andere kleine schelpdieren, kreeftachtigen, insecten en wormen. In Nederlandse wateren zijn driehoeksmosselen een belangrijk onderdeel van het voedsel. In de winter zijn ze vaak te vinden op rustig water, waar ze in groepjes kunnen foerageren of rusten. De trek vanuit de noordelijke broedgebieden begint al vanaf het einde van de zomer. Vanaf februari trekken de vogels geleidelijk weer terug naar hun broedgebieden.

De IJsduiker is een indrukwekkende wintergast die in Nederland slechts in zeer klein aantal voorkomt. Het is een grote, krachtige duiker met een forse snavel en een opvallend gestroomlijnd lichaam. De soort komt vooral vanuit IJsland naar de kusten van Noordwest-Europa. In Nederland wordt de IJsduiker voornamelijk in de winter gezien. Hij houdt zich vooral op zee op, maar kan ook in beschutte baaien en soms op binnenwateren terechtkomen. De vogels kunnen langere tijd op dezelfde plaats blijven.

De IJsduiker jaagt onder water op vis en kreeftachtigen. Het is een uitstekende duiker die minutenlang onder water kan blijven. Aan de kust wordt hij meestal zwemmend op enige afstand waargenomen, waardoor een telescoop vaak goed van pas komt.

De IJseend is een arctische eend die in Nederland slechts in klein aantal overwintert. Het is een opvallende vogel met een lange staart, vooral bij het mannetje. In tegenstelling tot veel andere kustvogels verblijft de soort vaak ver uit de kust, waardoor hij vanaf land niet altijd gemakkelijk te vinden is.

IJseenden broeden op de toendra van het noordelijk halfrond. In de winter trekken ze naar zee en verblijven ze op diepere zoute of brakke wateren. Ze duiken naar voedsel en eten vooral kleine schelpdieren en andere ongewervelden. In Nederland worden ze vooral op de Waddenzee gezien. Langs de Zeeuwse kust worden slechts kleine aantallen gevonden, maar plekken als de Brouwersdam kunnen bij gunstige omstandigheden goede kansen bieden.

De Eider is de grootste eend uit deze selectie en een karakteristieke bewoner van de kust. In Nederland is de Waddenzee het belangrijkste gebied, maar ook de Zeeuwse Delta vormt een belangrijk verblijfgebied, vooral buiten het broedseizoen.

Eiders zijn sterk afhankelijk van zoute wateren en leven voornamelijk van schelpdieren en andere bodemdieren. Ze kunnen grote hoeveelheden voedsel op de zeebodem bemachtigen door te duiken. In de Zeeuwse Delta zijn vooral de ondiepe kustwateren en voedselrijke gebieden van belang.

De mannetjes zijn in hun broedkleed opvallend zwart-wit met een groenige kop, terwijl de vrouwtjes voornamelijk bruin zijn. In de winter zijn beide seksen minder opvallend, maar grote groepen Eiders op het water blijven indrukwekkend om te zien.